Bij capoeira is muziek een heel belangrijk onderdeel. Er wordt gebruik gemaakt van verschillende muziekinstrumenten.
Capoeira wordt steeds gespeeld op het ritme van Afro-Braziliaanse muziek en er worden Braziliaanse liederen gezongen.
De muziekinstrumenten die tijdens de roda (het spel) bespeeld worden, zijn in de eerste plaats de berimbau, een snaarinstrument in de vorm van een grote boog waar een cabaça (kalebas) aan bevestigd wordt. Het instrument bestaat uit 1 snaar en
het geluid wordt gevormd door met een stokje of batuta tegen de opgespannen snaar te tikken. Door middel van een steen
of pedro die men tegen de snaar houdt kan men de toonhoogte bepalen.
Er worden doorgaans meerdere berimbau's bespeeld tijdens het spel.
Het bespelen van dit instrument vergt toch enige handigheid en vooral veel oefening omdat er verschillende ritmes bestaan.
Belangrijk om weten is dat de berimbau altijd met respect moet behandeld worden. Het instrument is in de wereld van de capoeira veel meer dan een "stok met een snaar" en heeft een beschermende functie.
De pandeiro of tamboerijn vormt een ondersteuning voor het tromgeluid.
De agogo is een instrument dat gemaakt wordt van 2 holle kokosnoten die op een stok bevestigd worden. Het wordt bespeeld
door met een stokje tegen de kokosnoten te tikken om zo, naast de pandeiro ook
mee het ritme van de muziek te bepalen.
Tegenwoordig wordt de agogo meer en meer van metaal gemaakt.
De reco-reco is een stevig stuk bamboe-hout van ongeveer 25 cm lang waarin inkepingen gemaakt zijn. Door met een stokje
over de inke-pingen te wrijven, wordt de typische klank van de reco-reco gevormd.